Praatje bij de kassa
- 27 jun
- 3 minuten om te lezen
Bij de Albert Heijn in Assen-Oost is het al net als elders: de verdwenen kassa’s en kassières. Snelheid en efficiëntie voeren de boventoon, want dat is wat de klant wil. En die klant is nu eenmaal koning. Ik begrijp de overwegingen van de supermarktboekhouders, maar dat wil niet zeggen dat ik, als medeklant en dus ook medekoning, dit een goede zaak vind.
Dus sta ik in de wachtrij van de enig overgebleven kassa en wacht rustig mijn beurt af terwijl links en rechts klanten richting de zelfscankassa’s schieten. Achter me sluit een oudere vrouw aan. Ik knik. Ze knikt terug en neemt plaats op het zitje van haar rollator. ‘Gelijk heeft u mevrouw, ga er maar eens goed voor zitten.’ ‘Ja dat doe ik, want heel lang stilstaan kan ik niet meer en de wachtrij is best lang.’ Als ik haar vraag of ze dan liever even voor wil schudt ze haar hoofd. ‘Nee hoor, ik heb alle tijd.’ ‘Goed’, zeg ik, ‘dan kunnen we mooi even een praatje maken.’
Ik krijg te horen dat ze al 80 is maar nog elke dag even boodschappen doet, ‘want je moet blijven bewegen hoor.’ ‘Wat knap’, zeg ik, ‘en ik vind het ook zo goed van u dat u een rollator gebruikt.’ ‘Oh ja hoor, natuurlijk. Sommige mensen schamen zich daarvoor, maar ik niet. Want zonder dat ding kom je gewoon nergens meer. Ik ben er heel blij mee. Dat heeft mijn zoon voor me geregeld. Hij heeft het gekocht.’ ‘Wat fijn, u heeft vast een lieve zoon denk ik.’
Maar terwijl ik dat zeg wordt het stil. Geen ongemakkelijke stilte, maar meer een spannende waarin ik me afvraag of ik dit wel had moeten zeggen. Ik ken haar immers niet, wellicht is er iets naars gebeurd. Waarom spreek ik ook altijd wildvreemden aan. Waarom sta ik niet gewoon ook bij de zelfscan?
‘Mijn zoon, die is in Zweden’, hoor ik dan. ‘Nou wat leuk’, zeg ik in een poging haar opgetogen gezicht weer terug te krijgen. ‘Komt hij snel weer thuis?’ ‘Nee, hij woont daar en mijn andere zoon ook. Beiden getrouwd en ook kinderen. Ze wonen er al jaren.’ ‘Oh, dat lijkt me best wel moeilijk voor u.’ ‘Ja soms wel, dan wil ik ze gewoon even zien en met ze praten. Nou ja ik zie ze wel hoor en we praten elke week via de computer. Maar dat is toch anders dan in het echt. En mijn kleinkinderen die spreken alleen maar Zweeds, die versta ik niet. Weet u, vroeger heb ik ook lange tijd in het buitenland gewoond, in Hongarije en Polen.’ ‘Wow’, zeg ik, ‘en sprak u beide talen dan ook?’ Een trotse knik volgt. ‘Dan bent u zeker echt taalgevoelig?’ ‘Oh ja, ik begrijp een vreemde taal best snel, maar Zweeds, daar begin ik niet aan, veel te moeilijk.’
Dan ben ik aan de beurt bij de kassa. Ik groet de kassière en vraag of ze een fijne dag heeft. ‘Heel leuk’, zegt ze lachend. Als ik mijn spullen ingepakt heb, draai ik me nog even om naar de mevrouw achter me. ‘Mevrouw, volgens mij moet u het gewoon proberen, dat Zweeds. Misschien valt het toch wel mee!’ Maar haar blik spreekt boekdelen. ‘Hoe dan ook, een hele fijne dag voor u. Ik vond het een fijn gesprek.’ ‘Ik ook’, zegt ze waarna ik me omdraai en de winkel verlaat.


Opmerkingen