Isabella met de lange oogwimpers    

In een land, hier ver vandaan, woonde lang geleden koning Arnoldus, koningin Manja en prinses Isabella. Ze woonden in een prachtig kasteel met mooie torens en hoekige kantelen. De slotgracht was diep, het valhek puntig en scherp en de kasteeltuin was zeldzaam mooi.

Ja je kunt gerust stellen dat die koning en koningin het prima voor elkaar hadden. Er was niets om zorgen over te maken, er was al lang geen oorlog geweest, die zou er voorlopig ook niet komen, er was voedsel genoeg en bovendien was het  bijna elke dag mooi weer.

oogwimper.jpg

En toch, toch was er onvrede in het kasteel. Niet bij de koning, ook niet bij zijn dochter, maar wel bij de koningin. De laatste tijd was ze mopperig, humeurig en was ze vaak niet echt gezellig. Bovendien sprak ze steeds minder. En dus kon het niet uitblijven. Op een mooie lentemorgen, net toen de koning zijn gouden vishengel had gepakt om te gaan vissen in de slotgracht, ja toen sprak plotseling de koningin met verheven stem: “Zeg man, ik heb er genoeg van!” “Waarvan mijn lieve”, sprak de koning. “Van het regeren, het heeft gewoon lang genoeg geduurd. Ik wil stoppen, ik wil met pensioen. Ik wil vrij zijn. Ik wil zelf  ’s ochtend kunnen beslissen wat ik wil. Ik wil niet langer druk zijn met ons land. Ik wil wandelen, bloemen plukken, ik wil, ik wil sokken breien. Ik wil gewoon stoppen.”

 

De koning zuchtte. Hij zag dat het menens was. Hij zag dat zijn vrouw er schoon genoeg van had en hij kreeg door dat het die ochtend wel eens geen visochtend zou gaan worden. En dus sprak de nog steeds goed gemutste koning: “Nou goed lieve, dan stoppen we ermee! We stoppen met regeren, we gaan met pensioen.”  Bij het uitspreken van die laatste woorden pakte hij zijn hengel en wilde richting de deur lopen. Maar net toen hij de klink vasthad hoorde hij zijn vrouw roepen. “Stop, jij oliebol. Alsof dat zo gemakkelijk gaat. Alsof we zomaar kunnen stoppen. Alsof er geen land te regeren blijft. Alsof we geen zorgen hebben. Want hoe had jij gedacht dat het dan zou gaan als we nu zouden stoppen? Jij denkt dat dat zo maar gaat. O wat ben je soms toch dom.” En met een diepe diepe zucht zakte de koningin op haar troon, haar hoofd in haar handen, een traan wegpinkend.

 

De koning schrok. Het was hem duidelijk, zijn vrouw was boos en verdrietig. Maar bovenal teleurgesteld, teleurgesteld in hem. En dat zat koning Arnoldus niet lekker. “Nou eh goed, eh kom op lieve, eh het is toch niet zo moeilijk. We kunnen toch best stoppen. Immers onze dochter Isabella kan het toch van ons overnemen. Ze is immers al 18 jaren oud, groot genoeg om te regeren. Dus alleehupsakee lieve zie je, geen probleem!”

 

Even was het stil. Even leek het alsof de koningin overtuigd was van wat ze net gehoord had, heel even leek het alsof het probleem weg was. Maar toen ontplofte ze in woede. “Onze dochter?? Onze dochter??  En hoe moet ze dat dan doen? In haar eentje? Dat kan toch niet! Dat is toch veel te zwaar voor onze dochter. Had ze maar een man, maar die heeft ze toch niet? Denk toch eens na sufferd. MWAAAH aan jou heb ik ook niks.”

 

De koning schrok nu nog meer. In plaats van rustig, werd zijn vrouw steeds onrustiger en bozer. Dus probeerde hij het nog eens.  “Eh eh, nou maar lieve, onze dochter kan toch nog een prins op een wit paard tegenkomen. Dat kan toch? En dan is er liefde, liefde op het eerste gezicht, zoals toen ik ooit jou zag, in je mooie roze jurk en ik tegen je aanbotste omdat ik naar de lucht keek, die zo mooi was. En toen viel ik, ik lag op de grond en ik keek naar voren en zag de onderkant van je roze jurk. En toen keek ik langzaam naar boven en toen zag ik je, je ogen, je neusje, je volle wangen. Ja weet je nog lieve, dat kan toch ook met onze dochter gebeuren. Ze kan toch een prins op een wit paard tegen komen? Toch?” De koning stopte en keek naar zijn vrouw. Die was ook stil geworden en keek naar haar man. Even glimlachte ze en zag de koning zijn lieve vrouw ontspannen, maar direct daarna keek ze weer verdrietig. “Ja lieve Arnoldus, dat weet ik nog. En natuurlijk zou het zo kunnen, maar je vergeet één ding. Denk toch eens na. Weet je niet meer hoe onze Isabella door het leven gaat? Hoe moet zij ooit een prins op een wit paard zien?”

 

De koning dacht na. Inderdaad, hij was het even vergeten. Zijn dochter die zo anders dan anderen door het leven ging.  Zijn dochter die niet gewoon zoals iedereen recht op liep en dus volop naar voren en opzij kon kijken. Nee zijn Isabella liep anders. Ze liep achterovergebogen door het leven. Met een holle rug en bolle buik. Zijn dochter, altijd maar naar boven kijkend. Vanwege haar oogwimpers, haar ellenlange koninklijke oogwimpers. Die lange oogwimpers, die zo zwaar waren. Elke ochtend als ze wakker werd en opstond, pakte ze eerst haar oogwimpers op. Die hingen dan voor haar gezicht en buik, benen en voeten. En dan als ze een klein stapje deed, struikelde ze over haar wimpers. Zo lang waren die wimpers. Dus wat deed Isabella, ze gooide elke ochtend bij het opstaan die lange wimpers over haar schouders naar achteren. En dan liep ze vooruit. Maar omdat die wimpers zo lang en zwaar waren, trokken ze haar hoofd naar achteren. En terwijl Isabella dan naar voren liep, ging haar hoofd langzaam naar achteren en het duurde maar een paar meter of ze keek naar het plafond. En zo ging het, dag in dag uit. Isabella vond dat niet heel erg overigens. Ze hield van de kleur blauw. En achterovergebogen door het leven gaan, gaf nu eenmaal een schitterende kijk op de blauwe lucht, dus nee echt ontevreden van de prinses niet. Maar ja, hoe ze dan, terwijl ze achterovergebogen door het leven ging, een prins op een wit paard moest gaan zien, dat was inderdaad wel een probleem. Een probleem waar de koning zo ook geen antwoord op had. Om toch zijn vrouw geruster te stellen dacht hij diep na. En toen kreeg hij een oplossing; DE oplossing.

 

 “Zeg vrouwe, zeg lieve, het kan toch wel. Echt het kan toch wel. Ok ok, onze dochter kan dan weliswaar geen prins op een wit paard zien maar eh wat dacht je van een prins in een witte luchtballon. Als die overvliegt, dan kan ze die toch zien? Toch?” Maar terwijl hij naar zijn vrouw keek en dacht dat het nu wel goed zou komen, zag hij snel in dat hij zich vergiste. “Eruit”, schreeuwde zijn vrouw. “Eruit, hup naar de markt. Bedenk maar iets voor onze dochter. Ga naar de markt en kom pas terug als je iets hebt waarmee het probleem van onze dochter wordt opgelost. Eruit!” “Eh,… naar de markt? Ik? Een koning? Een koning gaat toch niet zelf naar de markt? Dat kan toch niet? Toch?” Maar met een flinke draai om zijn oren liet de koningin duidelijk zien wat de koning moest doen en dus vluchtte hij zijn kasteel uit, op weg naar de markt. Er zat niets anders op. Wilde hij nog vissen vandaag, dan moest hij snel gaan.

 

Na een klein uurtje wandelen kwam de hij aan op de markt. Het was een drukte van belang. Vele kramen waren op het marktplein opgesteld en de verschillende kooplieden schreeuwden om het hardst om de mensen naar hun kraampje te lokken. Even aarzelde de koning of hij zou gaan. Niemand had hem nog gezien, hij kon nu nog terug. Maar de gedachte aan zijn verdrietige vrouw zorgde ervoor dat hij doorliep. En zo gebeurde het dus, dat op die mooie lentedag, de koning de markt op liep en net deed alsof hij niet doorhad dat hij nagekeken zou worden. Het duurde ook niet lang tot ze hem zagen. De mensen die op de markt liepen stopten met lopen, maakten een eerbiedige buiging en keken de hem na. Zoiets hadden ze nog nooit gezien. De koning op de markt. De kooplieden die schreeuwden en joelden,  stopten plots hun geschreeuw zodra ze zagen wie er over hun markt liep. De koning! Hun koning!

 

Wat deed de koning? Hij liep, keek naar de spullen in de kramen, groette iedereen vriendelijk met een kleine hoofdknik en liep zo, helemaal alleen, over die enorme markt. Waar hij ook keek, in geen kraam zag hij iets liggen waarmee het probleem van zijn dochter verholpen zou kunnen worden. En dat terwijl de koning toch echt goed keek. Zo slofte hij voort en toen hij na een uur alle kramen had gehad, zakte de moed hem in zijn koninklijke schoenen. Het zou niet gaan lukken. Terwijl hij zich wou omdraaien om de terugweg naar het kasteel te beginnen, zag hij op de hoek van het marktplein een klein kraampje die hij nog niet had gezien. Een klein kraampje, met een armoedig uitziende marktvrouw, met maar één uitstalling van één ding! De koning kwam dichterbij. Toen hij voor het kraampje stond, de marktvrouw toeknikte, zag hij dat ene gekke apparaatje liggen. Een klein zilverachtig apparaatje dat hij nog nooit had gezien. De koning keek en besloot toen de marktvrouw aan te spreken.

 

“Goedemorgen marktvrouw”, sprak de koning’ “U kent mij toch?” “Jazeker majesteit”, sprak de marktvrouw. “U bent onze koning, koning Arnoldus.” “Juist”, sprak de koning. “En als u mij kent dan kent u mijn dochter toch ook” “Zeker Sire, uw schitterende dochter Isabella, uw dochter die u ooit zal opvolgen en dan de nieuwe koningin zal worden van ons volk. Natuurlijk ken ik haar.” “Goed, goed”, zei de koning. “Luister marktvrouw. Dan weet u natuurlijk ook van haar levensgang. Dat ze achterovergebogen door het leven gaat. Vanwege haar wimpers, haar wonderschone maar o zo zware wimpers. En dat is het nu, ziet u. Die koninklijke wimpers, die zijn zo zwaar. Ze trekken haar als het ware naar achteren. En dat terwijl ook zij natuurlijk naar voren moet. Om in het leven haar ware prins op het witte paard tegen te komen. Nou goed en nu loop ik hier op de markt om te kijken of er iets te koop is voor die lange wimpers. En nu zie ik uw kraampje, het laatste kraampje en zie ik dit vreemde apparaatje. Ik heb zoiets nog nooit gezien. Kan het mij helpen? Kan het mijn dochter helpen?”

 

Even zei de marktvrouw niets, maar toen knikte ze vriendelijk. “Jazeker koning Arnoldus. Dit apparaatje is een wimperkrultang. Daarmee kan uw dochter haar wimpers opkrullen, zodat ze daarna gewoon rechtop kan staan. Dit is wat u zoekt majesteit!” “Echt?”, sprak de koning.  “Zeker”, zei de marktvrouw. De marktvrouw pakte de wimperkrultang en liet zien hoe het gebruikt diende te worden. “Fantastisch”, zei de koning. “Is het duur zo’n krultang?” De marktkoopvrouw dacht even na en zei toen: “Nee majesteit. Het is gratis. U mag het meenemen naar uw paleis voor niets. Alleen heb ik wel een wens.” “Vertel het me”, zei de koning. “Vertel het me en ik zal ervoor zorgen dat uw wens zo snel mogelijk geregeld gaat worden.” “Goed heer, mijn wens is dat u voor mij een dansje maakt. Gewoon een dansje voor mijn marktkraam. Het hoeft geen grootse dans te zijn, maar wel een dans die recht uit uw hart komt, zodat ik kan zien dat het apparaatje in goede handen terecht is gekomen. Wilt u dat Sire? Een dansje voor mij? De koning kuchte. Zoiets had hij nog nooit gehoord. Een koning die een dansje moest maken.. maar goed, de gedachte aan zijn verdrietige vrouw…. “Goed”, sprak de koning, “dat doe ik.” Ofschoon hij niet de beste danser van het land was, maakt hij wel een dansje dat recht uit zijn hart kwam. Toen zijn dans klaar was, keek hij in de ogen van de marktvrouw. Die knikte. Daarna rende de koning zo snel als hij maar kon naar het paleis, op zoek naar zijn vrouw en zijn dochter.

 

In de paleiszaal zat koningin Manja nog steeds op haar troon. Diep weggezonken in gedachten merkte ze niet dat haar man plots voor haar stond. Ze schrok toen ze hem zag, maar vooral toen ze hem hoorde. “Vrouw, lieve, dit is het. Ik heb het. Roep onze dochter. Nee wacht, ik roep zelf!,  DOCHTER”

 

Bovenin de torenkamer zat Isabella te spelen met één van haar poppen van vroeger. Ze dacht aan de jaren van vroeger, aan dat wat was geweest. Zo af en toe keek ze naar buiten. Het was tijdens dat moment dat ze plots de stem van haar vader hoorde. Ze hoorde dat er iets groots aan de hand was. Dus bedacht Isabella zich geen moment en rende de torenkamertrappen af naar beneden. Dat was nog een heel gedoe en het duurde lang voordat ze in de paleiszaal stond, met haar ogen op het plafond gericht.

 

“Dochter, kijk eens wat ik voor je heb!” en hij hield de wimperkrultang voor Isabella. Maar die zag niks en zei daarom: “Waar dan pap, ik zie niks!” De koning keek naar zijn dochter en zag dat hij de wimperkrultang hoog in de lucht moest houden, immers Isabella keek naar boven. De koning hield vervolgens de krultang hoog boven Isabella’s neus waarop de prinses het bijzondere apparaatje zag. “Wat is dat pap”, vroeg ze. “Een wimperkrultang kind, hiermee kun je je wimpers krullen. Je zal daarna rechtop door het leven kunnen. Pak je wimpers en krul ze op! En dat deed Isabella.

 

Ze pakte haar rechterwimper, stak het puntje van die wimper in de krultang en begon daarna te krullen, te krullen en te krullen. En wis en warempel, de rechterwimper krulde zich langzaam rond en hing tenslotte opgekruld boven Isabella’s  rechteroog. Daarop pakte Isabella haar linkerwimper en begon ook die te krullen. Net zo lang totdat ook die wimper opgekruld voor haar linkeroog zat. Wat daarna gebeurde was nauwelijks te beschrijven.

 

Isabella stond rechtop met haar beide oogwimpers opgekruld boven haar ogen. De koning straalde, de koningin beefde van geluk en Isabella? Isabella stond fier rechtop totdat…. ze voorover viel. Gelukkig viel ze niet, maar door het gewicht van de opgekrulde wimpers kon Isabella zich niet langer rechtop staande houden en viel daarom gebukt vooruit. En dat is hoe Isabella voortaan door het leven moest. Gebukt! Maar dat vond ze in het geheel niet erg. Want na al die jaren blauw van de lucht, zag Isabella nu het groen van het gras. En daar hield ze erg van.

 

Toen ze, vele weken later,  op een morgen door de hoftuin liep, gebukt en op zoek naar madeliefjes in het groene gras, toen hoorde ze plotseling een stem boven zich. “He jij daar, draai je eens om!” “Dat kan ik niet”, zei Isabella, “dan val ik om!” “Doe toch maar”,  zei de stem, “dan kan ik je ogen zien.” Zo gebeurde het. Isabella draaide zich om, Ze viel en lag met haar rug in het gras van de hoftuin en keek naar boven. En daar, boven haar, zag ze de mooiste ogen die ze ooit had gezien. Want boven haar zweefde, in een witte luchtballon, een prins, zo mooi, zo mooi! Ze werden smoorverliefd.

 

Weet je hoe het verder ging? Ze leefden nog lang en gelukkig en koning Arnoldus kon elke dag vissen en koningin Manja breide sokken zoals ze nog nooit gedaan had.

 

Copyright: Gert Talens