Zoeken

De klomp van boer Berend

Bijgewerkt: 6 dagen geleden

‘We gaan lopen en ik ga met jullie mee, we wandelen naar het Capitool om onze dappere senatoren toe te juichen.’ De massa juichte en joelde. Daar gingen ze. Met z’n allen op pad om hun recht te halen. Nou ja, niet helemaal met z’n allen. Want waar de menigte rechts afsloeg om via Pennsylvania Avenue een bezoekje te brengen aan het Capitool, daar sloeg hij linksaf naar zijn Witte Huis om vervolgens, onder het genot van een kopje koffie en een likeurtje, vanuit zijn luie stoel al zappend te genieten van de vele live-reportages op de tv-zenders. Om dan vervolgens 24 uur later het volgende te verklaren: ‘Ik wil graag beginnen met het benoemen van de gruwelijke aanval op het Amerikaanse Capitool. Net als alle Amerikanen, ben ik diep verontwaardigd over het geweld, de wetteloosheid en de chaos. De demonstranten die het Capitool binnendrongen hebben de Amerikaanse democratie bevuild. Mensen die zich schuldig maken aan geweld en vernieling vertegenwoordigen ons land niet.’ Het gekke was, ik verbaasde me niet eens meer over deze verklaring.


Het zal ergens in de tweede helft van de jaren 70 zijn geweest. Heel precies weet ik het niet meer, maar ik zat in klas 5 of 6 op de Prins Willem Alexanderschool te Eext. Als zo vaak vroeg ik aan het einde van de schoolmiddag aan mijn vriendje Marc Nijhof of ik bij hem kon spelen. Marc vond dat prima. Ik ging direct naar huis om het mijn moeder te vertellen om daarna zo snel als het kon naar Marc zijn huis te fietsen. En wat voor een huis…. een boerderij! Een boerderij zoals je ze tegenwoordig alleen nog kunt zien op de oude schoolplaten van Jetses. Bouwjaar 1870, met een baanderdeur, een lemen vloer op de deel, ongeveer 30 koeien op stal met achter zich de grup, heerlijk ruikend kuilvoer buiten op een bult, een stukje verderop een mestvaalt van koeienmest vermengd met stro, en op het erf poezen, geiten, ganzen en kippen. Het mooiste was op de deel te vinden, een hooivak gevuld met stro- en hooibalen. Zo’n boerderij waar je als zorgeloos kind waanzinnig blij van kan worden en geloof maar dat ik daar blij was. Want bij Marc mocht je in het hooivak spelen. We maakten hutten, we slingerden met touwen van de ene naar de andere kant, we stoeiden en ravotten met als gevolg dat na een poosje overal stro- en hooideeltjes door je kleding heen in je huid prikten. Halverwege het spelen gingen we dan naar opoe, die in het voorhuis woonde. Van haar kregen we een toffee met witte poeder eromheen. Nog proef ik die heerlijke toffee als die mooie herinneringen boven komen.


Die middag hadden we iets speciaals. Marc had stiekem van zijn oudere zus Ina een doosje PallMall sigaretten gepikt. Daar zaten we, boven in het hooivak en staken een sigaret aan. We namen voorzichtig een trekje, hoestten en proestten en keken onvoorstelbaar stoer vanaf de hoogste hooibaal ons rijk in. We waren de koningen van de wereld, niemand kon ons wat doen. Dachten we!


Opeens stond daar boer Berend op de deel. Hij keek ons met woedende ogen aan. Binnen twee tellen was hij boven, greep ons met zijn enorme grote boerenhanden bij de lurven en sommeerde ons op weinig zachtzinnige manier naar beneden. Daar aanbeland hadden we nauwelijks tijd om te beseffen wat er was gebeurd want daar zwiepte vanonder Berends lichaam zijn reusachtige rechterbeen met daaraan een gruwelijk grote klomp richting mijn tere kinderbilletjes. De impact was enorm. Met een ‘onmiddellijk wegwezen’, verdween ik uit het boerenparadijs.


Mijn moeder keek verbaasd. ‘Ben je nu al thuis?’ Ik knikte en probeerde zo normaal mogelijk naar mijn kamer te lopen. Ik vertelde die avond niets en de dagen daarna zweeg ik als het graf. In die stille tijd realiseerde ik me maar al te zeer waarom Marcs vader zo woest was geweest. Nu, na al die jaren, begrijp ik dat het een totaal andere wending had kunnen geven aan mijn leven en aan dat van mijn ouders en Marc en zijn familie. Ik moet er niet aan denken wat er was gebeurd als een brandende sigaret het hooivak in lichterlaaie had gezet.


De hele week erna spraken Marc en ik er niet over, het voorval vergat ik echter niet. Gelukkig dat mijn ouders er niets van wisten, hun straf of priemende blikken zouden mij bespaard blijven. Totdat precies een week later mijn vader opeens aan me zei: ‘Ik kwam Berend ook nog tegen in het dorp!’ Ik stond aan de grond genageld. Niet van angst, veel meer van schaamte. Ik durfde mijn vader niet aan te kijken. Hij zag dat en dus zei hij: ‘Kijk me eens aan!’ Ik keek. Mijn vader zag mij, was even stil en zei toen: ‘Ik denk dat ik er niks meer over hoef te zeggen hè?’ Beschaamd en klein knikte ik. Met een aai over mijn bol kon ik gaan.


Tijdens de woorden van de president realiseerde ik me plotseling wat de man waarschijnlijk nooit ontwikkeld heeft; een moreel besef. Met terugwerkende kracht gun ik Donaldje Trump een ontmoeting met de klomp van boer Berend en de helende ogen van mijn vader.