Zoeken

Wie kleurt jouw dag?

Afgelopen maandag deed ik boodschappen in de lokale Jumbo in Dronten-Zuid. Uit mijn winkelwagentje zet ik een pak yoghurt op de toonbank. ‘Volgens mij gaat het wel goed met je hè?’ De kassière kijkt me met haar stralende ogen aan. Ze is oprecht geïnteresseerd en altijd in voor een praatje. Ze houdt van grappen, heeft een fijn gevoel voor humor en een heerlijke dialectische tongval die verraadt dat ze iets met het Oooosten heeft. Daarbij heeft ze een scherp oog dat de rest van de winkel goed in de gaten houdt zonder de klant te vergeten. Eefke, want zo heet ze, is mijn absoluut favoriete kassière. Eind juni had ze me voor lange tijd niet gezien en toen ze hoorde dat ik herstellend was van Corona, kreeg ik van haar een bos bloemen, omdat ze me gemist had. Zo’n kassière geeft mijn dag kleur!


Vroeger, toen ik nog in Eext woonde, kende ik ook zo’n kleurgevende kassière, zij heette Johanna en werkte bij Super De Weerd. Een heerlijke dorpswinkel die gaandeweg overigens steeds meer klandizie verloor door de grote supermarktketens die in opkomst waren. Als kind zag ik dat overigens niet zo. De winkel was er gewoon, je had geen weet van economie. Super De Weerd, was er en zou er in mijn kinderogen ook altijd zijn. Het was een winkel waarbij je ’s avonds na zessen nog even via de achterdeur naar binnen kon om in de huiskamer van de familie De Weerd te vragen of je nog wel een doos eieren kon krijgen want die bleken thuis op te zijn. Ik vond het nooit vervelend om te vragen, want altijd was er een aardig antwoord en mocht ik achter mevrouw De Weerd aan door de bedrijfsdeur de winkel in, waar het licht al uit was, ik de eieren kreeg en haar het geld gaf dat ze vervolgens in haar schort opborg. Als ik dan de deur uit ging zei ze vaak nog: ‘Kom gerust hoor, als je nog iets nodig hebt hè’. Hoe fijn voor een kind om dat te horen, hoe warm is het gevoel dat ik krijg aan die herinneringen.


Een gevoel overigens dat bij de toenmalige kassière Johanna op de proef werd gesteld. Ik was in de winkel, was een jaar of 12, en had een pak yoghurt gekocht. Toen ik aan de beurt was zag ze me en zei lachend dat ik het pak maar moest gooien. Daarbij straalden haar pretoogjes me tegemoet. Ik twijfelde. Durfde niet echt te gooien, maar wou wel mee in het spelletje. Dus deed ik net alsof ik gooide, reikte mijn armen met een vaart naar voren, het pak yoghurt in mijn handen vooruit strekkend, maar realiseerde me niet dat die vloeibare yoghurt als één massa in het pak naar voren schoot. Dat pak hield ik overigens aan de benedenkant stevig vast, wellicht iets te stevig, want net toen ik mijn gestrekte armen terug wilde trekken, schoot het yoghurtpak aan de bovenkant open en golfde driekwart van de yoghurt over de toonbank en deels over Johanna’s schort. Een enorme witte kleverige bende verspreidde zich over de draaiende toonbank die gelukkig net op tijd stopte voordat de yoghurt zich ook onder de toonbank zou verspreiden.


Daar stond ik. Vastgenageld, beteuterd, stil! Dit was absoluut niet wat ik wou. Vooral ook niet bij Johanna, want zij was altijd aardig voor me. Na een paar seconden keek ik op. Daar zat ze. Schaterend en schuddebuikend. ‘Nou nou’, zei ze, ‘pak maar snel een nieuw pak kerel. Ik ruim het hier wel op.’ Toen ik even later met een nieuw pak terugliep om haar te betalen wees Johanna me het geld terug. ‘Nee lieverd, dat hoeft niet, neem maar gratis mee.’ Met een verlegen glimlach verliet ik Super De Weerd met die Super Johanna.


Terug aan de kassa in de Dronter Jumbo schiet die herinnering door mijn hoofd terwijl ik naar Eefke kijk. ‘Jazeker’, zeg ik, ‘het gaat heel goed me’, terwijl langzaam het pak yoghurt op de toonbank naar Eefke toe schuift en ik naar haar glimlach.